In hartje Manhatten bevindt zich Paddles, een beroemde nachtclub voor mensen met een meer dan bovengemiddelde interesse in zwepen en kettingen. Ingeklemd tussen een textielgroothandel en een dierenarts is een zware deur, daarachter een trap naar beneden. Bij een klein loket wordt je leeftijd gecontroleerd: als je boven de 21 bent, mag je naar binnen. De slogan op de deur luidt: the Friendly S&M Club.

De barman nam me direct bij binnenkomst apart, vroeg of ik er voor het eerst was en legde me kort de huisregels uit. Kijken, niet aanraken. Geen alcohol, wel naakt – dat heeft met de wetgeving van NYC te maken. Als je drank schenkt, moet iedereen zijn kleren aanhouden. Dus zat er een beer van een gozer aan de bar in een huidstrak latex pak met kattenoortjes, nippend van een glaasje appelsap. Alles was stemmig zwart geschilderd, grijze tegels op de vloer, er was een podium voor demonstraties en overal bondagemeubels, elk met een eigen poetsstation van ontsmettingsmiddel en wegwerpdoekjes. En geef iedereen de ruimte, benadrukte de barman, die al snel doorhad dat ik geen local was.

Het was me natuurlijk allang opgevallen dat het begrip personal space in Amerika een stuk meer leefde dan in Europa. In Nederland was het – voor maart 2020 tenminste – niet uitzonderlijk om in de trein zó dicht tegen andere mensen aangeperst te staan dat je de whatsappjes op hun telefoon zonder moeite kon lezen. Of die keer dat we, tijdens haringen-in-de-ton-drukte van een muziekfestival, bovenop een meid gedrukt stonden die haar bankzaken even ging doen in de menigte, en we haar een sms konden sturen met haar eigen pincode.

Zo niet in de Verenigde Staten, tenminste niet in de jaren dat ik daar woonde. Men geeft elkaar de ruimte, die er ook ís: de bevolkingsdichtheid ligt een stuk lager dan in Europa. Ook in een friendly S&M club dus: niemand raakt elkaar aan, men loopt voorzichtig om elkaar heen en als je interesse hebt in iemand, of iets wilt vragen over het spel van een ander, blijf je op minimaal anderhalve meter afstand staan en wacht je tot er oogcontact is. Dichterbij staan wordt gezien als een breuk in etiquette, niet als een toenadering.

Ik heb er dankbaar gebruik van gemaakt. Zeker op de keer dat ik in Paddles was en de barman naar me weer apart nam en zijn hoofd neigde naar een langharige heer aan de bar. Net jouw type, zei de barman. En hij had gelijk. Aan de bewegingen van de man in kwestie zag ik direct dat het geen Amerikaan was: hij nam minder dan dertig centimeter afstand in acht bij het bestellen van een cola, hij keek op arrogante wijze om zich heen en glimlachte tegen niemand. Ik ben achter hem gaan staan, té dichtbij. De Noor herkende direct wat ik deed en we hebben samen smakelijk gelachen om het begrip personal space in verschillende culturen. En vervolgens hebben we de afstand nog wat verkleind, op zijn hotelkamer.