Daar stonden we dan. Een slaperige camping municipalergens in het noorden van Frankrijk: met vastgeroeste stacaravans, echte ouderwetse gaten in de grond bij wijze van wc, een overwoekerd pétanque-veld en een verroest klimrek.

Het begon te schemeren en de vader van mijn kinderen was net weggereden naar het evenement waar hij vrijwilligerswerk zou doen. Ik drentelde met twee peuters over de camping, vond uiteindelijk een magnetron en prakte wat gepureerde babyprut uit glazen potjes in de kindermondjes. De tent stond gelukkig al. Mijn eigen avondeten was ik even vergeten, de campingwinkel bleek dicht en de lokale bakker ook. Na veel zingen was het kindercompartiment stil en kauwde ik (heel zachtjes) op een paar muffe crackers. Het was al donker en ik kroop maar in bed. Toen begon het gelazer.

De vuilniszak, die ik uit angst voor mieren niet ín de tent wilde laten en dus maar buiten aan een scheerlijn had gebonden, werd doorsnuffeld. Luidruchtig en indringend. Ik heb leren lezen met de strips van Astérix en zag het everzwijn al voor me. Het stampte op de grond, snoof tegen de tent vlakbij mijn oor en leek de vuilniszak van onder tot boven te verscheuren. Ik lag doodstil, angstzweet op mijn rug, gevangen tussen de zachte snurkgeluidjes van de kinderen en het gewroet en gesnuffel aan de andere kant.

Als ik opstond, zou ik de kinderen wakker maken, en het eten was op. (Zie maar eens kinderen in slaap te krijgen op een vreemde plek, zonder eten, midden in de nacht.) Bovendien zou het zwijn me kunnen verwonden en we hadden expres een plekje uitgezocht hélemaal achterop het achterste veld, uit het zicht van de stacaravans. Ik belde mijn partner en eiste dat hij terugkwam om een slotgracht om de tent heen te graven. Helaas, hij had gedronken en kon niet meer rijden, welterusten en tot morgen.

De volgende dag arriveerde mijn toenmalige tweede partner. Een ervaren kampeerder, die binnen mum van tijd een kooktoestel in elkaar geknutseld had, compleet met koelkast met witte wijn en nog veel belangrijker: een vuilnisbak met een deksel.

Die avond kookte hij, legde ik de kinderen in bed en nu durfde ik wél buiten te blijven in het donker, stadskind dat ik ben. Ik vertelde over het zwijn en hij keek sceptisch, net zoals de campingbazin eerder die dag had gedaan toen ik verhaal ging halen over het ‘sanglier’ (dankjewel Astérix) rondom mijn tent. Het gerommel begon zowaar terwijl ik aan het praten was.

Er kwam een egeltje tevoorschijn vanonder een grote struik. Het ritselde over de grond, al grommend en snuivend en ik was in gelijke mate opgelucht en beschaamd. Het liep recht af op de plek waar de voorgaande nacht mijn vuilniszak stond. Mijn partner lachte zich een breuk. Nog in zijn tent, waar we even later samen op zijn luchtbed vielen, liepen de tranen hem over de wangen van het lachen.

Maar mooi dat ik, toen ik na middernacht poedelnaakt van zijn tent terugliep naar mijn eigen bed, met mijn telefoon de weg verlichtte. Aan mijn lijf geen egels.