Wie samenwoont, gaat elkaar domme vragen stellen:

-Hangen je sleutels aan de haak? Ja, daar hangen ze iedere dag.

-Zullen we een nieuw pakje boter in de vloot doen? Dat zou ik allang gedaan hebben, als je niet toevallig in de keuken stond om de vraag te beantwoorden.

-Wil jij deze krant nog lezen? Die al twee weken onderin de lectuurbak ligt en de katten hebben erop gelegen en het bovenste katern kapotgekrabt en als je het ECHT had willen lezen dan heb je kans genoeg gehad, nu gaat het in de kliko.

Let er maar eens op, het zal je nog tegenvallen wat voor idiotie je uitkraamt tegen je partner(s). Gelukkig hoort je partner het allang niet meer, of hebben jullie een zorgvuldig uitgekristalliseerd ritueel waarbij de een ‘hum-hum’ zegt en de ander ‘jaja’ en je ondertussen samen als in een dans door de keuken beweegt tijdens het eten koken zónder elkaar aan een vleesmes te rijgen.

In de jaren dat ik alleen woonde, miste ik het vanzelfsprekende gesprek met een ander. Soms deed ik drie keer boodschappen op een dag, in drie winkels, om maar met drie verschillende kassamedewerkers een gesprekje aan te kunnen knopen. Het heerlijkste was nog dat op de dagen dat ik géén enkele behoefte had aan interactie, dat ook niet hoefde. De hele dag stil zijn, wandelen met alleen het ruisen van de zee in mijn oren. Simpel avondeten van sla met een gebakken ei, met de kat op schoot, samen snorrend naar buiten kijken.

Nu, met drie huisgenoten waarvan twee minderjarig en afhankelijk van dát ik opsta om pap te maken, is dat een stuk lastiger. Het valt me vooral tegen hoeveel ruis er is. Hoeveel stomme dingen die nergens over gaan, maar wel tijd en energie kosten om uit te spreken en vooral te verwerken. Je moet alleen wel blijven luisteren…tussen alle ruis zitten de kleine lichtvonkjes, de magische luchtbellen die het leven ineens licht en prachtig maken.

Het kind dat thuiskomt en tussen alle geratel over schoolpleinvendetta’s en traktatienijd door verzucht dat ze zo blij is met ‘de knuffelmama’. De blik die mijn partner en ik wisselen als we allebei precies hetzelfde denken en weten dat het niet sociaal geaccepteerd is om die ene opmerking hardop te maken.

De truc is je eigen leven te vervlechten met dat van anderen, zonder het gevoel te hebben dat je verdrinkt in andermens’ hobby’s, werk, drijfveren. Luisteren, nadenken, dan pas praten. Dat is de pest van al die tegelwijsheden, al die clichés over het leven: ze zijn allemaal waar. Je kunt je ook afvragen waarom je samen wilt zijn. Of waarom niet. Misschien zijn er wel goede redenen voor. Of misschien ben je bang om jezelf te laten zien. Als een ander jou zó intiem en zó vaak meemaakt, krijgen ze ook meer redenen om weg te gaan. Of misschien is die angst uniek voor mij…maar dat denk ik niet.