Er staat tenminste een kerstboom bij de teststraat, dat verhoogt de sfeer aanzienlijk. Want het blijft een hele nare ervaring om door een ingepakte student met een wattenstaafje achter mijn huig gekrabt te worden. Met het volgende staafje probeert hij via mijn neusgat zó dicht bij mijn hersenen te komen dat ik flitsen zie van oud-Egyptische mummificatierituelen. Maar ik heb geen keuze: midden in de winternacht werd ik wakker met 39,5 graden koorts, spierpijn, hoofdpijn en hoesten. Een beetje draaierig fiets ik terug naar huis en kruip weer in mijn bed. De uitslag is er binnen een dag: positief.

De verwarring tussen positief en negatief is net zoiets als rechts en links: bij sommige mensen landt het nooit helemaal. Het blijft me verbazen dat negatief nieuws iets is om verdrietig over te zijn, maar dat een positieve testuitslag óók niet goed is. Bij de GGD hebben ze inmiddels geleerd dat de boodschap warrig over kan komen, want direct na de uitslag staat ‘dat betekent dat je het coronavirus hebt.’ (Is dit het moment om bezwaar te maken tegen het feit dat steeds meer instanties ongevraagd de tweede persoon enkelvoud gebruiken om burgers aan te spreken? Waarschijnlijk niet.)

Een dag later, ik zit inmiddels alweer op de bank, koorts een eind gezakt, belt er een vriendelijke studente voor bronnen- en contactonderzoek. Ze hakkelt door de vragenlijsten heen, ik blader terug in mijn agenda die deprimerend leeg is. We komen tot de conclusie dat ik bijna niemand heb gezien in de afgelopen twee weken en dat er geen duidelijke bron is voor mijn besmetting. Het is best gezellig aan de telefoon, ik ben blij om eens een volwassene te spreken waarmee ik niet de hele dag opgesloten zit. Dan blijkt dat ze dezelfde studie doet die ik twintig jaar geleden heb afgerond en nog steeds les krijgt van professoren die in mijn tijd al oud waren. Het kost me enige moeite haar te laten gaan. Ik wil het liefste vragen of ze vanavond terugbelt zodat we haar aankomende carrière kunnen doornemen. Alleen heb ik haar net laten aankruisen dat ik ook last heb van diarree.

De rest van de middag gebeurt er niets. Ik haal een kopje thee in de keuken en loop terug naar zolder. Het duurt een half uur voor ik weer op adem ben van die inspannende exercitie. Ik kijk een serie en doe een middagdutje. Ondertussen beginnen twee afzonderlijke gedachten zich aan me op te dringen.

Ten eerste hoezeer ik het contact met mensen, willekeurige mensen, mis op dagelijkse basis. Geen collega’s meer in de kantine, geen spontaniteit van een leuk gesprek in de trein, geen losse, vrolijke, ongedwongen contacten van vreemde mensen op onverwachte plaatsen. De ontmoeting waarvan je ‘s ochtends niet weet dat die te gebeuren staat, de uitwisseling van een glimlach met een onbekende, het helpen van een klant, dat zijn dingen die me energie geven. Ik merk nu pas, nu ik in volledige isolatie zit, hoe diep het gemis is.

Ten tweede voel ik enorme opluchting dat ik, op de vraag naar intieme relaties, geheel naar waarheid alleen partner en kinderen hoef te noemen. Niet omdat ik me schaam voor ‘wat de mensen denken’ als ik een hele polycule af zou moeten tikken op zo’n moment. Ik sta achter polyamorie als concept, ik voel alleen steeds sterker dat het écht niet mijn manier van leven is. Ik heb een beperkt aantal slots in mijn centrale intimiteitsprocessor: mijzelf, mijn kinderen, een partner. Alle verbreding daarvan gaat, in ieder geval bij mij, ten koste van de diepte.

Met hoeveel mensen ik contact maak is nu een puur theoretische kwestie, want géén intiem contact is de norm voor deze week. Dat geldt niet voor de katten, die zielsgelukkig liggen te ronken bovenop hun persoonlijke kachel. Wat hen betreft mag ik elke dag koorts hebben.