Polyamorie is ingewikkeld, kost enorm veel tijd, vergt moed, eerlijkheid en zelfreflectie en levert niet noodzakelijkerwijs méér of betere seks op dan monogamie. Daarmee begon ik, in april 2020.

In de afgelopen anderhalf jaar dat ik over dit onderwerp, en aanpalende onderwerpen, schreef voor Vlam, is er veel veranderd. Mijn hart brak door een relatie die niet verder kón gaan en sindsdien richtte ik me op mijn eigen gezin. Het is alweer een jaar geleden, er zitten nog steeds barsten in mijn hart. Er is een voorzichtigheid geslopen in mijn liefhebben, die er eerder niet was. Ik leef nu monogaam en dat is ook niet zaligmakend, maar voor nu prima.

Ik heb veel geleerd over communicatie. Hoe lastig dat is. Hoeveel er vanaf hangt. En hoe je nooit, maar dan ook nóóit, via een digitaal medium zoals WhatsApp over emoties of verwachtingen moet praten. Digitale media zijn er om praktische afspraken te maken en leuke kattenfoto’s uit te wisselen en daarmee uit.

Er zijn zóveel mensen voor wie man-vrouw-huis-kind de norm is. Ik vergeet dat wel eens, omdat in onze vriendenkring mensen zijn die in wisselende samenstelling samenwonen, of met hun gender aan het worstelen zijn, of aan permanente zelfontwikkeling doen. Tot ik uit mijn persoonlijke bubbel klap: langs de zijlijn van een voetbalveld bijvoorbeeld, een verjaardag van een vage kennis, een opstopping in de supermarkt, zoiets. En ineens vliegen daar de vooroordelen over tafel, worden er grove grappen gemaakt over vrouwen en homofielen. Mannen lachen te hard, hun angst zichtbaar onder machogedrag.

Het bevestigt dat ik in een bubbel leef. En dat die bubbel nog veel, véél groter moet worden, tot we er allemaal inpassen. Tot we geen oordelen meer hebben over anderen. Laten we eerlijk zijn: dat gaat natuurlijk nooit gebeuren.

Maar thuis doen we ons best. We praten over hoe we het leven erváren, over wat we voelen, denken, willen. We doen onze stinkende best om onze eigen bagage niet op een ander te kieperen. We weten dat communicatie het grootste goed én de grootste valkuil is en kiezen onze woorden zorgvuldig. Tot het misgaat. We vallen weer terug in een rol, worden boos, gooien kindpijn eruit, schamen ons, maken het weer goed.

Ik wil het niet missen. Ik wil met de mensen die me nabij zijn over álles kunnen praten. Alleen dan voel ik me verbonden. En veilig. Nog iets dat ik heb geleerd: veiligheid is voor mij de eerste prioriteit. Zelfontwikkeling, meerdere relaties, seksfeesten…allemaal niet zo belangrijk. Zolang ik maar weet dat ik een thuis heb, dat het daar warm is, en dat ik er altijd naartoe kan, ook als ik uit mijn slof ben geschoten.

Dit huis, deze Vlam, laat ik aan jullie. Het was een mooie rit en ik dank jullie wel! Wees lief voor elkaar, in het echt alsjeblieft, niet alleen met hartjes op een scherm.

 

Dank je wel CAT voor je mooie, leuke, interessante, soms emotionele, leerzame en verrijkende columns. 

Namens de hoofdredactie

 

 

Valt het jou ook op dat mensen zich indekken als ze tegen een specialist praten?

‘Sorry hoor, ik ben geen huisarts natuurlijk, maar ik las op internet …’

Of: ‘Ik heb twintig jaar geleden ook vakken gevuld en een krant bezorgd, dus daarom heb ik nu een mening over minimumloon.’

Het mechanisme is: laten zien wat jouw ervaring is (internet, oude baantjes, veel gelezen), de autoriteit daarvan is afzwakken (met woorden als ‘hoor’, ‘slechts’, ‘even’) en daarna keihard een eigen mening geven. Wat zit daar toch achter? Angst om ontmaskerd te worden? Snel, jezelf indekken vóórdat de ander je kan ‘pakken’ op een fout. Voordat ze denken dat je een hele pief bent en je daarna door de mand valt, met alle schaamte van dien.

Er zijn talloze films gemaakt met dit dunne plot. De hoofdpersoon doet zich anders (beter!) voor dan hij is, eerst onschuldig en later schuldbewust. Iedereen trapt erin, tot het onvermijdelijke moment van de onthulling. Dan volgt er schaamte en uitsluiting, met tot slot een happy end. In Filofax (1990) doet een boef zich voor als zakenman, en krijgt een goede baan aan het einde. In Don’t Tell Mom the Babysitter’s Dead (1991) doet een tiener zich voor als designer, laat alles in het honderd lopen en eindigt met een toegangskaartje tot een prestigieuze universiteit. In Hitch (2005) wordt een koppelaar ontmaskerd, maar krijgt hij toch het meisje. Het achterliggende patroon is voorspelbaar en saai.

Maar blijkbaar ook heel menselijk. Want allemaal willen we schaamte vermijden. Schaamte is iets naars, iets akeligs, het voelt als jeukpoeder in je ondergoed, als vuurrode wangen terwijl iedereen naar je wijst. Waar het pas echt gaat wringen, is in je relatie. Let er maar eens op, je doet het zelf waarschijnlijk ook. Vooral als je elkaar terechtwijst op hele praktische dingen.

‘Ik ben geen monteur hoor, maar die auto klinkt alsof hij meer olie nodig heeft.’

Op een vlak waar je écht zelf een specialist bent, of dat nu erfrecht, breien of fietsen maken is, dek je niet in. Je weet dat je goed onderlegd bent. Je vertrouwt op jezelf, wetende dat je je kunt redden als je uitgedaagd wordt met een ‘huh, wat weet jij er nou van.’

Stel nou dat je op jezelf mag vertrouwen, ook als je niet alle antwoorden weet. En stel nou dat de persoon tegenover je, een vriend is. Iemand die je vertrouwt, bij wie je geen muren op hoeft te trekken, geen slotgracht hoeft te graven, jezelf niet hoeft in te dekken in een schietputje. Stel je dat voor, ook bij een volslagen vreemde. Bij de buschauffeur, bij de huisarts, bij de kassa, bij je werk, op het schoolplein. De persoon tegenover je is een vriend. Als je die persoon als zodanig behandelt, worden ze het misschien wel. In ieder geval wordt het contact plezieriger. En daarmee is de kans op schaamte ook afgenomen. Doe ik het voor.

 

Ik was deze week op een feestje van ongeveer vijftig mensen, buiten in de open lucht. Alleen daar konden we genoeg herrie maken en genoeg afstand houden. Niet dat dat gebeurde trouwens, die afstand, maar daar gaan we even niet over zeuren.

Na een paar uur werd de drukte van al die kletsende lui me te veel en ik ging binnen bijkomen, even rustig plassen, social media checken, chillen op een luie stoel. Er overviel me een enorme weerzin om weer terug het feest in te gaan. Pas met een beetje perspectief (even binnen zitten, stilte) viel me op hoe onrustig het feestgedruis was en hoe weinig ik daarvoor openstond die avond.

Dit is niet alleen een Corona-reactie. Het is niet zo dat ik door maanden binnen zitten, binnen werken, binnen leven en binnen vetten nu niet meer met andere mensen om kan gaan. In mijn roerige studententijd gebeurde het ook regelmatig. Urenlang danste ik de benen uit mijn lijf in mijn favoriete danskroeg/nachtclub en als ik dan naar buiten liep om even een luchtje te scheppen, gebeurde het regelmatig dat ik helemaal niet terug de kroeg in ging. Ook niet als ik mijn vrienden had beloofd dat ik zó terug zou zijn.

Ik genoot van de intense stilte aan mijn oren, het contrast met de klereherrie binnen in de kroeg. Boven me alleen de sterren, als puntjes te zien, zelfs tussen de verlichte uithangborden van de stad. Dronkenlui struikelend over hun voeten. Mijn fiets tussen duizenden anderen, braaf wachtend op hun ruiters. Het was te lekker om uit de herrie te zijn, het contrast te groot om terug te gaan. Hoe heerlijk was de rit naar huis, alles in de schaduw, fietsen van de ene lichtvlek naar de andere onder de lantaarnpalen.

Dus óf ik kon nooit goed met mensen omgaan en dat Corona-gelazer heeft weinig verschil gemaakt, of er iets universeels aan de hand met perspectief en afstand. Ik vermoed het laatste. Het geldt voor meer mensen: je ziet het pas als je het ziet. En dat is makkelijker vanaf een afstandje. Waarom lassen we anders een ‘pauze’ in om ‘af te koelen’ of proberen om een situatie ‘anders te bekijken’.

Met relaties is het precies zo. Waarom blijven slecht behandelde of zelfs mishandelde partners bij hun misbruiker? Omdat het moeilijk is te zien waar je in zwemt, als je steeds in het zwembad blijft liggen. Je hebt het perspectief nodig van eruit stappen, afstand nemen, weglopen, rustig worden en daarná beslissingen nemen over de toekomst.

Als het echt rot gaat met je relatie, neem dan een pauze. Spreek goed af waar die pauze voor dient: hoelang duurt het, mag je elkaar spreken in de tussentijd of liever niet. Is het de bedoeling dat je tijdens de pauze met een reboundje in bed duikt? Laten we wel wezen: als je relatie echt slecht is, ligt dat waarschijnlijk aan de communicatie. Daarmee is het maken van afspraken over een pauze ook gelijk heel moeilijk. Probeer het toch. En kom bij elkaar terug op het afgesproken tijdstip en stel elkaar de volgende vraag: wil je verder dansen, met mij? Of wil je liever alleen naar huis fietsen?

Als ik ‘ja’ intyp op mijn telefoon, suggereert de auto-aanvulling: ‘Daddy’. We zullen er maar niet te lang bij stilstaan hoe dat zo gekomen is. Soms is het leven een kwestie van even lachen, schouders ophalen en dóór. Het is al tijden geleden dat er iemand in mijn leven was waar ik dat tegen zei, tenslotte.

Toch… zou Freud gelijk hebben? Hebben mannen een voorkeur voor een vrouw die op hun moeder lijkt en vallen vrouwen op mannen die aan hun vader doen denken? Als je om je heen kijkt in je vriendenkring, zie je al snel dat dat wel meevalt. En jijzelf? Lijkt je partner op de ouder van hetzelfde geslacht?

Ik vermoed overigens dat het aantal mannen dat ‘ja Mommy’ in hun telefoon intoetst enorm overtroffen wordt door meisjes of vrouwen die ‘ja Daddy’ typen. Misschien is dat een seksistisch resultaat van de patriarchale samenleving: een vrouw die een vaderfiguur zoekt, past in de norm. Ze wordt misschien een beetje meesmuilend nagekeken, of achter haar rug betutteld, maar er zijn ook genoeg mannen jaloers op de vent die zo’n adorerend meiske aan zijn arm heeft hangen. Het is ook ok voor vrouwen om als ‘baby’ te worden aangesproken. In de jaren vijftig was het doodnormaal dat een echtgenoot ‘kindjelief’ zei tegen zijn gade.

Probeer het eens andersom. Hoeveel vrouwen vinden het aantrekkelijk om met ‘mama’ aangesproken te worden, in het dagelijks leven of tussen de lakens? Ik krimp altijd een beetje in elkaar als mijn partner dat tegen mij zegt, zelfs als hij óver mij praat tegen de kinderen of de katten. In bed wil ik het helemaal niet hebben, daar krijg ik direct een slappe van, bij wijze van spreken.

De mannen die een moederfiguur in hun leven willen, zeker als dat seksuele connotaties heeft, zijn in sommige wijken van Nederland hun leven niet zeker. Ze leven hun fetishes uit achter gesloten deuren, of op het internet onder een schuilnaam. Het is niet eerlijk. Je bent niet minder een man, of een vrouw, als je een bepaalde rol wilt spelen.

Natuurlijk zou ik de auto-aanvulling eruit kunnen halen, dat schijnt niet moeilijk te zijn. Al ben ik niet zo’n wonder met smartphones. Maar ik wil het er niet uit. Ik wíl graag herinnerd worden aan een periode die vol van uitzinnig geluk was, hoe onrealistisch en puberaal dat geluk ook bleek te zijn. Dus nu antwoord ik met ‘yes’. En maar hopen dat mijn telefoon daar niet automatisch ‘Sir’ achter zet.

Vertrouwen komt te voet en gaat te paard: een lekker ouderwetse uitdrukking die in even grote mate realisme als pessimisme overbrengt. Ik ben tegelijkertijd slecht en te goed van vertrouwen. Ik ga er blind vanuit dat grote corporaties niets slechts voor hebben met alle eindeloze informatie die ze over mij kunnen verzamelen. Laatst keek ik weer eens in mijn geschiedenis en zag ik alle reizen die ik de afgelopen acht jaar (sinds het begin van mijn smartphone-tijdperk) heb gemaakt en dat was confronterend: Google weet beter waar ik geweest ben dan ikzelf. Welk jaar waren we ook alweer in Rome? Geen idee, mijn geheugen laat me in de steek, maar mijn telefoon kan het me zo vertellen.

De eerste naaktfoto die van mij bestaat, dateert uit eind jaren negentig van de vorige eeuw. Raar idee. Ik heb er geen kopie van, en geen idee meer hoe de maker van de foto heet. Ik had een roerige jeugd, zullen we maar zeggen. Deze week werd me gevraagd om half-naaktfoto’s op te sturen, dat wil zeggen, in ondergoed. Het was voor een goed doel: het verbeteren van mijn eigen gezondheid. Maar opeens merkte ik dat ik dat niet kon, niet wilde. Ik kan niet dat soort intieme beelden delen met een miep aan de andere kant van de digitale snelweg die ik nog nooit in het echt gezien heb, waarvan ik niet weet of ze gniffelt als ze mijn buik ziet. Zonder seksuele lading zijn registrerende naaktfoto’s alleen maar heel bloot, en weinig aantrekkelijk. En daar vertrouw ik niemand mee, niet zonder bestaande (professionele) relatie.

Wanneer heb jij voor het laatst het vertrouwen van iemand beschaamd? En was het echt zo serieus? Leugentjes om bestwil zijn een zeer realistisch onderdeel van het leven en daar kan je beter niet op terugkomen, dat maakt de zaak alleen maar groter dan ze is. Als de ander gekwetst is, en met goede reden, dan is het tijd om excuses aan te bieden.

Te voet ergens heenlopen gaat best langzaam, dat is de truc met het herwinnen van vertrouwen: stapje voor stapje. Kijk niet gek op als het maanden duurt voor de relatie voelt als vanouds. Als je aan de andere kant staat, met je bloedende hart in je handen omdat de ander bijvoorbeeld gelogen heeft… wees dan zo mild als je kunt. Van jezelf opwinden en boos maken komt alleen maar meer ellende. En iedereen leeft in een glazen huis, we maken allemaal fouten, kwetsen allemaal elkaar, de hele dag, voortdurend. We hebben ook lief, dat moet de balans rechttrekken.

Hoe weet je nou wat welk relatietype het beste bij je past? Het begint wederom bij zelfkennis. Durf de denkbeelden waar je mee opgegroeit bent te bevragen. Schrijf op: welke relatievoorbeelden heb ik in mijn leven gezien? Wat vond ik daarvan? Welke sprak me het meeste aan en waarom? Hoe wil ik me tot een ander verhouden, in een ideale wereld? Neem de tijd om de antwoorden te vinden, neem gerust een paar weken. Leer je eigen vooroordelen zien. Als er ergens iets niet klopt tussen het beeld wat je voorgeschoteld hebt gekregen en jouw diepste wensen, dan ga je dat nu voelen. Durf dat te onderzoeken, het scheelt op de lange termijn een hoop gelazer.

Het slechtste wat je kunt doen is beginnen met een lijstje dat over de ánder gaat. Helaas is dat nou precies wat ons in alle mainstream monograam-gecentreerde media wordt voorgeschoteld. Jonge meisjes wordt aangeleerd dat ze zich op een bepaalde manier dienen te gedragen en dat ze een eisenlijstje moeten hebben van waar hun prins aan moet voldoen. Het wensenlijstje is meestal heel voorspelbaar: langer, sterker, knapper, beter verdienend dan zijzelf. Jongens wordt aangeleerd dat een mooie vrouw automatisch een doelwit is, ongeacht wat er onder de hersenpan zit.

Een lang en knap iemand kan een ongeluk krijgen en een stuk minder aantrekkelijk worden. Een rijke partner kan failliet gaan. Alle mensen veranderen sowieso als ze ouder worden. Meestal niet heel wezenlijk, maar genoeg om uit elkaar te groeien. Dus wat vind je dan echt belangrijk? Dat de ander luistert als je spreekt, zonder jouw verhaal te onderbreken? Dat je de vrijheid hebt om te zijn wie je wilt zijn? Dat jullie op seksueel, intellectueel, financieël of cultureel vlak de meeste raakvlakken hebben? Be careful what you wish for – you may get it.

Probeer om jezelf met compassie te benaderen, als je wensen verschuiven door de jaren heen. Het is goed mogelijk dat je opgroeit met een bepaald beeld en denkt dat je daarheen moet – huisje boompje beestje. Als je daar eenmaal bent, ontdek je bijvoorbeeld dat je veel meer wilt reizen dan je partner. Ineens ontstaat er een wens voor een lat-relatie. Dan ben je blij als je hebt nagedacht over je partnerkeuze en met je wederhelft al open gesprekken kan hebben.

Tenslotte: vergis je niet, slechts luttele percentages van hoe we aan de partner(s) komen, bestaan uit bewuste en rationele keuzes. Het hele begrip ratio is nogal overdreven: alle gedachtenpatronen komen voort uit een kluwen van hormonaal gestuurde hersenactiviteit waar de wetenschap nog niet een tiende van heeft ontcijferd. Zodra je iemand ziet, reageert je hele lichaam, je neuronen, je hormonen. Voordat je bewust kunt nadenken, heeft je lichaam al besloten of je met deze persoon iets meer zou willen dan koffie drinken. (Zoals in reactie op sommige mannen mijn eierstokken op en neer beginnen te springen en JAAA KINDJES! roepen, terwijl ik rationeel écht niet zit te wachten op een tweede ronde gebroken nachten en poepluiers.)

Van alle kanten krijg je meditatie aangeraden als methode om naar de constante gedachtenstroom te luisteren en eruit te filteren wat voor jou écht belangrijk is. Wandelen werkt ook, of fietsen of anderszins bewegen. Schrijven is voor mij een middel om mijn emoties en gedachten op orde te krijgen: de onderwerpen waar ik steeds weer over schrijf, zijn blijkbaar belangrijk. Je zult me nooit iets zien opschrijven over… de hoefverzorging van internationale racepaarden. Interesseert me geen donder. Maar welke keuzes hebben me gebracht waar ik nu ben: dát is belangrijk. Kennis van het verleden geeft richting aan de toekomst. En weten welke keuzes er zijn, geeft richting aan je verlangens.

Steek je vinger eens op: wie heeft er al meerdere relaties achter elkaar gehad? Even tellen, ja dat dacht ik al, de meerderheid in de zaal. Seriële monogamie is de norm in onze maatschappij. Bijna niemand is nog bij de jeugdliefde van de middelbare school. Scheidingen zijn geen uitzondering en geen schande meer. Het gezin is niet de hoeksteen van de samenleving.

Toch hebben veel mensen die seriële monogamie bedrijven, een negatieve mening over meer-liefde. Het zou bindingsangst zijn, of fear of missing out. In sommige gevallen is dat wellicht waar. Maar van meerdere volwassenen kunnen houden en daarmee liefdesrelaties kunnen onderhouden, is ook een valide keuze geworden. De seriële monogamisten die liever niet van verkering naar verkering zouden hoppen en zich steeds tussendoor zo alleen voelen, hebben wellicht iets aan de mogelijkheid van ‘solo poly’.

Mensen die identificeren als ‘solo poly’ beschouwen zichzelf als eenheid en voelen niet een sterke behoefte om deel te zijn van een stelletje, of een groep – onderwijl willen ze wel graag meerdere, diepe, langdurige, liefdevolle relaties. Samenwonen met één andere partner, trouwen of financiën delen staan niet hoog op de prioriteitenlijst.

Er is een groot verschil tussen mensen die single zijn en op zoek naar een vaste partner om samen de ‘relationship escalator’ mee te bestijgen – en mensen die bewust ervoor kiezen om niet mee te doen aan dat geijkte stappenplan. Solo poly-mensen kunnen net zo goed diepe liefde en verbondenheid ervaren, kinderen krijgen en met anderen op vakantie gaan. Dat ze ervoor kiezen om primair met ‘me, myself and I’ door het leven te gaan betekent nog niet dat ze gedoemd zijn tot kleine tafels in de hoek van wegrestaurants, waar niet opvalt dat je alleen eet. Maar de kern blijft één.

Voordat het woord ‘polyamorie’ viel in mijn leven, nu zo’n zes jaar geleden, was ik behoorlijk goed geworden in seriële monogamie. Soms was er, net zoals in blackjack, toevallig een teleurstellende reeks. Zoals achtereenvolgend: de collega die niets van mij wilde weten, de stalker die ik alleen kwijtraakte door een nieuw telefoonnummer te nemen en de ietwat oudere heer die terugverhuisde naar Amerika. Na dat desastreuze jaar heb ik een celibataire sabbatical genomen.

Solo poly was niet het antwoord geweest voor een dergelijke rampzalige periode. Inmiddels woon ik samen met een nesting partner, met wie ik nageslacht gemaakt heb. Ik kan me niet voorstellen dat ik ooit nog naar seriële monogamie zou gaan, daarvoor weet ik teveel over de alternatieven. Solo poly kan ik me wel voorstellen. Lekker rust in mijn eigen huis, eigen baas over alle beslissingen (wat eten we vanavond, staat de kliko al buiten, hoeveel mag een vakantie kosten) maar ondertussen wel verbonden met mensen die ik liefheb, die me nabij staan en met wie ik beurtelings tijd kan doorbrengen. En daarna op de bank met een goed boek. Niemand die me onderbreekt.

Een relatie tussen twee geliefden bestaat feitelijk uit vier richtingen van emotioneel verkeer: hoe ik met mezelf omga (1) en hoe jij met jouzelf omgaat (2), hoe ik jou benader (3) en hoe jij mij benadert (4). Alle interacties in een relatie zijn gekleurd door deze vier bronnen van emotie. Als iemand zegt dat ‘de relatie niet goed gaat’ dan is er iets mis in deze stromen van communicatie. Want de relatie an sich bestaat niet. Het is niet zo dat je samenwoont met je partner en dat de relatie ondertussen als pluizig huisdier door de kamer loopt.

Op het moment dat je een extra persoon toevoegt aan je liefdesleven, komen er vijf richtingen van emotioneel verkeer bij: personen A, B en C verhouden zich allemaal tot zichzelf en onderling tot elkaar. Teken het maar uit. Eén persoon extra komt dus neer op meer dan een verdubbeling van de emotionele stromen. Daarom moet er in een stabiele, consensuele, non-monogame relatie meer gepráát worden dan gesext. Daarom kan het zijn dat mensen heen en weer gaan tussen wel of niet monogaam: niet iedereen kan de (emotionele) ruimte opbrengen om zoveel communicatie te onderhouden. Alles is constant in beweging.

Even terug: consensuele non-monogamie, waar heeft Cat het nu weer over. Non-monogamie = alle andere vormen dan monogamie. Niet moeilijk uit te leggen.

Consensueel = iedereen stemt in met de gemaakte afspraken. Heel belangrijk: als je niet op de hoogte bent van een afspraak, kan je er niet mee instemmen. Als jouw partner met een ander wil vrijen, maar niet met je overlegt, dan is het wél non-monogamie, maar niet consensueel. Dan is het vreemdgaan. Transparantie is dus van het hoogste belang. Als jouw partner zonder condoom wil vrijen, als jouw partner op zaterdag wil uitslapen, als de andere vriend van jouw partner jóu er niet bij wil hebben op zíjn verjaardag, als wat dan ook – je moet het weten. Nog meer om over te praten!

Er zijn talloze vormen van consensuele non-monogamie. Mono-Poly: één partner wil wel andere relaties en één partner is monogaam. Polyamorie: langdurige liefdesrelaties met meerdere partners tegelijkertijd. Don’t ask don’t tell: doe wat je wilt buiten de deur, vertel me niks (dit gaat meestal niet lang goed). One penis policy: voorbehouden aan heterostellen, als er wel vrouwen bij mogen komen voor hete vrouwenseks of trio’s, maar er geen andere man mee mag doen (gaat meestal ook niet lang goed). Swingen: sex met andere mensen, meestal heterostellen onderling, zonder emotionele band. Wife-swapping: vrouwen ruilen voor een nachtje van partner, nadruk op plezier van de man (erg seventies, niet aan te raden).

Een rampzalige vorm is unicorn hunting: heterostel zoekt een ‘hot bi babe’ (hete biseksuele vrouw) om met beide partners tegelijk een relatie en sex te hebben. Met de gevoelens van de tweede vrouw in dit verhaal wordt meestal weinig rekening gehouden. Het wemelt van de stellen die dit een keer willen, het aantal vrouwen die er oprecht van genieten is sterk in de minderheid.

Andere losse vormen heten ‘vakantieregels’ of ‘carnavalsregels’: een stel maakt het uit voor een vastgestelde periode, zodat ze mogen sexen met wie ze maar willen. Daarna zijn ze weer monogaam. Sterrenclausule is hier een dromerig voorbeeld van: ik ben momenteel monogaam met mijn wederhelft, tenzij Antonio Banderas op de stoep staat. Dan stuur ik mijn partner via de achterdeur het huis uit, onderwijl mijn meest sexy lingerie aantrekkend.

 

Probleem: in Nederland groeien we op met heteroseksuele monogamie als de norm. Vader, moeder, kinderen, samen in één huis. We worden aan alle kanten gebombardeerd met monogaam-gecentreerde beelden, van sprookjes tot religieuze opvattingen, van films tot tijdschriften. Steeds weer andere versies van hetzelfde verhaal: een geslaagde relatie bestaat uit twee (witte, ook dat nog) mensen die ergens tussen hun 20ste en 30ste levensjaar bij elkaar komen en voor altijd samen blijven. Bij vreemdgaan is de relatie direct stuk. Naar een ander kíjken kan al reden zijn om ruzie te maken met je partner.

Als je niet weet dat er alternatieven zijn, dan kan je daar ook niet voor kiezen. En zo loopt generatie na generatie in hetzelfde spoor. Daarom is representatie zo belangrijk. Daarom hebben mensen van alle seksen, kleuren, geaardheden, levensvormen ruimte nodig om hun eigen stem te laten horen. Alleen met een enorm breed aanbod aan keuzes, weet je dat er keuzes te maken zijn. Zo krijg je de ruimte om te kiezen waar JIJ gelukkig van wordt.

Als jij gelukkig wordt van monogamie, dan is dat prima. Als jouw partner dat ook wordt, gefeliciteerd. Maar stel de vraag. Ga er niet blindelings vanuit dat iedereen op de ‘relationship escalator’ stapt, de relatie-roltrap van daten naar samenwonen en trouwen, naar kindjes, naar met dezelfde afritsbroeken het familiegraf in. Er zijn zoveel meer opties. Er is seriële monogamie, wat ontzettend veel voorkomt: kijk maar naar de hoeveelheid echtscheidingen. Er zijn ‘alternatieve’ vormen van monogamie: lange afstandsrelaties, a-seksuele relaties, knipperlichtrelaties. Er zijn talloze vormen van non-monogamie. Ook is het een legitieme keuze om je niet te willen binden aan een ander.

Want je vraagt nogal wat van elkaar, in een monogaam leven. Je vraagt dat de ander er altijd voor je is, van begin tot eind, in voor- en tegenspoed. Dat de ander met je meegroeit in alle keuzes die je nog gaat maken in je leven, waarvan je zelf niet eens weet wat die zijn. (Misschien ontwikkel je wel een passie voor tango en wil je partner alleen maar zeevissen.)  Het is knetterhard werken om elkaar niet te verliezen onderweg. Bovendien is het onmogelijk om altijd honderd procent te vertegenwoordigen wat de ander in het leven verwacht: je zult altijd allebei een zeker percentage aan wensen moeten inleveren. Het bestaan kan goed zijn, maar wel tegen een zekere prijs.

Als het lukt, heb je in een monogaam bestaan de tijd om je relatie te blijven verdiepen, om een geschiedenis op te bouwen en steeds meer van elkaar te zien. Het mooiste is als je de blinde vlekken van je partner gaat zien en daarin een spiegel kan zijn; en zij dat bij jou ook kunnen.

Maar als het niet lukt, dan heb je misschien een deel van jezelf weggestopt, gemist, verloren, verspeeld, alleen omdat er geen ruimte was binnen het monogame stramien. Dat is jammer, want er komt geen herkansing.

Als Marten óf Oopjen – je weet wel, die gigantische portretten door Rembrandt die we voor 160 miljoen euro samen met de Franse staat hebben gekocht, ze hangen nu in het Rijksmuseum – beschadigd raakt, dan wordt de zogenaamde stellenclausule van kracht. Dat betekent dat het geheel van het kunstwerk (dus de beide portretten samen) minder waard wordt als er één portret een krasje krijgt. Logisch ook, want ze horen echt bij elkaar.

 

In je eigen huis moet je dit fenomeen ook kennen: van dat prachtige servies dat je van oma kreeg (of op de rommelmarkt kocht) is een oortje van één koffiekopje afgebroken, waardoor het geheel nu minder waard is geworden. Ook al was het niet duur, de sentimentele waarde is veranderd. Je kunt er nooit meer naar kijken zonder te weten dat er iets mist.

 

Soms lig ik wakker als mijn nesting partner (vader van mijn kinderen, huisgenoot, mede-hypotheek-drager) laat weg is. Op de donkerste momenten stel ik me voor hoe de politie aanbelt om te vragen wat voor auto hij rijdt. Want het zal je maar gebeuren. Iemand uit jouw directe cirkel, jouw gezin, jouw veilige haven in deze woelige wereld, overkomt iets naars. Hoeft niet direct dood te zijn: manlief in kwestie brak een keer een paar botten op een feestje en kwam onverwacht met gips thuis, dat was al eng genoeg.

 

Het zegt iets over jouw relatie als het geheel minder waard wordt (tijdelijk of permanent) als er met iemand ánders in die relatie iets gebeurt. Of dat nou een kind is, een partner of een goede vriend. Een relatie is minder waard, of simpelweg verdwenen, als de andere partner(s) er niet meer is. Een gezin voelt gebroken en kapot als een gezinslid vroegtijdig verdwijnt, sterft of als er een scheiding aan te pas komt. Het geheel dat in jouw beleving bij elkaar hoorde, is niet meer. Er is alleen geen verzekering ter wereld die het gemis goed kan maken met een uitkering in centen.

 

Gisteravond scrolde ik door social media (terwijl ik al had moeten slapen) en stuitte per ongeluk op een foto van een ex-poly-partner, vrolijk met zijn nieuwe liefde. Het deed me ontzettend pijn. Juist omdat de stellenclausule niet van toepassing is hier. Hij heeft nergens last van, is mij allang vergeten. Het geheel is niet minder waard geworden of geschonden, integendeel: het is net alsof de relatie tussen hem en mij nooit heeft bestaan. Ik heb er last van, maar ik ben de enige.

 

Marten en Oopjen reizen in 2022 naar het Louvre, waar ze dan vijf jaar te zien zijn. Rijksmuseum en Louvre hebben afgesproken dat de portretten altijd bij elkaar blijven en niet los van elkaar getoond worden. Maar dat betekent niet dat als er eentje stuk gaat, de ander ook kapotgaat. Er zal maar een kunstwerk van de laadklep afkletteren. Er gebeuren gekkere dingen in de wereld.

 

CAT gaat de komende vier weken op vakantie, dus zullen we in deze weken de zomerserie van vorig jaar herhalen.